Veldpostkantoren

Kaart uit 1893
|
De eerste expeditie in Atjeh In 1871 werd tussen het Verenigd Koninkrijk en Nederland een nieuw Sumatra Verdrag gesloten dat Nederland de vrije hand gaf in Atjeh. Afgezien van het prestige was Atjeh rijk aan landbouwgrond waar pepers werden verbouwd, en mogelijkerwijs heeft de aanwezigheid van aardolie ook de nodige aandacht getrokken. Doordat Atjeh daarnaast de Straat van Maleisië beheerste en de rol daarvan door de opening van het Suez Kanaal steeds belangrijker was geworden, was er ook een strategische reden om zich met Atjeh te bemoeien. De bedoeling was geheel Atjeh aan het Nederlands gezag te onderwerpen, voordat andere koloniale mogendheden (Engeland, Italië) dat wellicht zouden gaan proberen. Immers, een Atjehse delegatie onder leiding van Panglima (krijgsheer) Tiban Mohammed was op 25 januari 1873 in Singapore in onderhandeling gegaan met de consuls van Italië en Amerika betreffende de handel op Sumatra. Tiban Mohammed was de Sjabander, de beheerder van de havenrechten van Atjeh. Deze onderhandelingen zijn de geschiedenis ingegaan onder de naam "het verraad van Singapore". Voor Batavia waren deze onderhandelingen de aanleiding voor het beginnen van een oorlog; 26 maart werd de oorlog verklaard. Atjeh, gelegen in de noordelijke punt van Sumatra, was vanouds een machtig en onafhankelijk sultanaat. De Atjeeërs waren bereid voor de onafhankelijkheid te sterven. Atjeh was ongeveer anderhalf keer zo groot als Nederland, redelijk welvarend, en telde toen ongeveer 600.000 inwoners. Zonder enige kennis van lokale zaken werd vervolgens een militaire campagne opgezet om Atjeh te annexeren middels de klassieke 'gun boat' tactiek. Men nam aan dat de aanwezigheid van enige oorlogsschepen in de haven van de hoofdstad van Atjeh voldoende was om iedere weerstand te doen smelten, waarna met de aanwezige infanterie het land kon worden bezet.
Generaal J.H.R. Köhler
Op 8 april 1873 zetten koloniale troepen, ongeveer drieduizend man, daadwerkelijk voor het eerst voet aan land. Het krijgsplan van de bevelhebber, generaal-majoor G.M. Köhler, was simpel. Men zou een basis in de buurt van de monding van de Atjeh-rivier inrichten en vandaar oprukken naar de kraton, het gefortificeerde sultanspaleis in Banda Aceh, tevens de "hoofdstad”. Had men die in handen, dan was in de ogen van het Nederlandsch Indisch Leger (in 1933 pas officieel genoemd het Koninklijk Nederlands Indisch Leger, het KNIL) het belangrijkste werk gedaan, Atjeh zou zich vanzelf overgeven. Waar die kraton precies lag, wist het KNIL niet. Op zoek naar de kraton, stuitte het leger op 11 april 1873 op een versterking die ervoor werd aangezien. Het bleek niet de kraton te zijn, maar een missigit (moskee), die zeer fel verdedigd werd. De missigit werd in brand geschoten en ten koste van zware verliezen veroverd. Nog dezelfde dag liet Köhler de versterking weer verlaten, omdat volgens hem de troepen te vermoeid waren deze te verdedigen. De missigit werd onmiddellijk door de Atjeeërs herbezet. Deze terugkeer was een voor koloniale oorlogen ongebruikelijke handelwijze, die Köhler dwong het gebouwencomplex drie dagen later, ten koste van zware verliezen, te laten heroveren. Van deze fout werd hij zelf het slachtoffer: staande in de stelling werd Köhler door een kogel getroffen en gedood (14 april 1873).
De zogenaamde "Köhlerboom"
De boom, een zogenaamde “waringin”, is door de dood van de bevelhebber de geschiedenis ingegaan als de “Köhlerboom”. Naast de boom bevond zich een zwaar versterkte moskee. Hier was de opmars van Nederlandse troepen vastgelopen. De moskee had 65 centimeter dikke muren. En hij was voorzien van extra versperringen en omheiningen. Wat eerst gemakkelijk leek, bleek een zware klus te zijn. Het gebouw werd tot twee maal toe bestormd, en pas vier dagen later veroverd. Er vielen meer dan honderd doden. Een zeer demoraliserend moment voor de troepenmacht. Zijn vervanger, kolonel Van Daalen, blies de expeditie af. Van de 4500 man waren er 56 gesneuveld en 430 gewond. Op 25 april 1873 verliet het KNIL Atjeh, de onderwerping was mislukt, de Eerste Atjeh-oorlog was verloren. Van de eerste expeditie zijn mij geen speciale (veld)poststempels bekend. |
|
De tweede expeditie in Atjeh Na het vertrek van de Nederlanders werden door de Atjeeërs aan de noordelijke moeraskust nieuwe veld- en strandversterkingen opgeworpen, terwijl het leger in Batavia een tweede expeditie voorbereidde. De eerste Atjeh-expeditie was mislukt door overhaasting, slechte uitrusting en gebrek aan krijgsplannen. De nieuwe opperbevelhebber, generaal Van Swieten, was al gepensioneerd, toen hem gevraagd werd de leiding van de tweede expeditie op zich te nemen, samen met generaal-majoor Verspyck. Groot-Atjeh werd een gouvernementsgebied en generaal van Swieten was de eerste bestuurder.
Generaal J. van Zwieten
Een gigantische amfibische operatie kwam op 11 november 1873 op gang. Met een vloot van 22 schepen werd een strijdmacht van 8.545 militairen en 4.560 man ondersteunend personeel (onder wie ruim 3.000 dwangarbeiders, de zogenaamde kettingberen, en 243 vrouwen) naar Atjeh gebracht. De landing op de moeraskust van Noord-Atjeh vond plaats op 9 december 1873. De versterkte moskee viel op 6 januari 1874 in Nederlandse handen, nu dus voor de derde keer in tien maanden. Het uiteindelijke doel was de kraton van de sultan, een groot complex aan gebouwen dat omringd was met een vijf meter dikke ondoordringbare heg van bamboe doeri (struikgewas met stekels). Achter de heg was een aarden wal van 600 x 250 meter, een vijf meter brede gracht en een aantal randjoe-versperringen (valkuilen met voetangels). Binnen de omwalling waren borstweringen aangelegd met ingegraven zitplaatsen voor scherpschutters en voorzien van ongeveer 40 stukken geschut. De Nederlandse aanval op de kraton werd ingeleid door een artilleriebeschieting van enkele dagen. Op 24 januari 1874 werd de aanval ingezet, waarna al snel tot de ontdekking werd gekomen dat de Atjeeërs de vesting 's nachts in alle stilte hadden ontruimd. De verovering van de kraton werd door de militaire leiding voorgesteld als een grote overwinning (Van Swieten gaf aan Batavia door: “de kraton is ons”), maar in de praktijk hadden de Atjeeërs zich niet overgegeven.
Verovering kraton sultan Atjeh 28 januari 1874, zittend op het linker kanon generaal J. van Swieten
Rondom de hoofdstad Kota Radja (het huidige Banda Aceh) werd door de opvolger van Van Swieten, kolonel (later generaal) Pel, civiel- en militair gezaghebber, begonnen met de aanleg van een verdedigingslinie. In de loop van 1874 en 1875 werd een gebied van enkele kilometers voorzien van 38 bentengs, die bezet werden gehouden door ruim 2.700 militairen. Het door de Nederlanders bezette gebied was ongeveer 50 vierkante kilometer, niet meer dan 0,1% van het totale Atjehse grondgebied. Van een effectieve oorlogsvoering was echter geen sprake. Opgesloten in de bentengs, was het leger niet in staat tot het uitvoeren van een offensief. Het kon slechts reageren op de Atjehse aanvallen, en die kwamen er met honderden, bij voorkeur ‘s nachts. Het was hit-and-run, een typische guerrilla-aanpak waar ook de burgerbevolking aan meedeed, en de militairen wisten er geen antwoord op te vinden. Jarenlang fungeerde het leger daar in het noordelijkste puntje van Atjeh als een soort van Kop van Jut.
Benteng, versterkt fort van Nederlanders, 1884 |
|
De Veldpostkantoren De tweede expeditie werd uiteraard veel grondiger voorbereid dan de eerste. Men kon het zich niet veroorloven opnieuw te falen. Er werden ongeveer 13.000 manschappen inclusief ondersteuning, tezamen 3 brigades groot, toegewezen aan de expeditie. Een aspect dat ook beter geregeld moest worden, was de veldpost. Bij elke brigade werd een veldpostkantoor ingericht. Deze veldpostkantoren waren verantwoordelijk voor het afhandelen van de post tussen de brigades onderling, de land- en zeemacht van de expeditie en de post van en naar de plaatsen in en buiten Nederlands Indië. Het veldpostkantoor van de derde brigade fungeerde tot 21-4-1874 als hoofdveldpostkantoor. |
|
Circulaire nr. 56 van 1873 INSTRUCTIE VOOR DEN VELDPOSTDIENST BIJ DE 2DE EXPEDITIE TEGEN ATJEH Bij iedere brigade wordt een veldpostkantoor opgericht, dat van de 3de brigade is tevens hoofd-veldpostkantoor. De veldpostdienst voorziet in de postcommunicatie tusschen de expeditionaire landen zeemagt en de verschillende plaatsen binnen en buiten Nederlandsch-Indië en desvereischt mede in die tusschen de brigades onderling en van deze met den vloot en verleent zijne tusschenkomst tot de verzending van telegrammen naar de telegraafkantoren te Penang, Singkel en Padang. De brieven, postwissels enz. bestemd voor plaatsen in Nederlandsch-Indië, zoo ook voor het buitenland, worden door de postkantoren der 1 een 2e brigade en passe gerigt aan het hoofd-veldpostkantoor. Omgekeerd worden door het hoofd-veldpostkantoor de brieven, postwissels enz. afkomstig uit Nederlandsch-Indië en het buitenland in ontvangst genomen en verder gesorteerd; aan die bestemd voor de 3e brigade en de vloot wordt door de onmiddellijke zorg van het hoofd-veldpostkantoor adres verleend. De voor de beide andere brigades bestemde brieven, postwissels enz. worden per adviesbrief aan de bij die brigades geplaatste postambtenaren toegezonden. Desvereischt wordt in de postcommunicatie tusschen de brigades onderling en van de wal met de vloot op de reede in gelijke voege voorzien. Bij de veldpostkantoren bestaat, wat de binnenlandsche correspondentie betreft, gelegenheid tot verzending van gewone en aangeteekende brieven, zoomede van drukwerken en monsters van koopwaren, alsook tot het verzenden en ontvangen van geldartikelen (postwissels), alles volgens de dienaangaande voorschriften voor het postwezen in Nederlandsch-Indië. De verzending van brieven enz. tusschen de brigades onderling en van deze naar de vloot en omgekeerd, heeft kosteloos plaats. De middelen tot vervoer der pakketten en kisten tusschen de brigades onderling worden door den chef van den stafen c.q. de brigadecommandanten aangewezen en verschaft. De verzending van brieven bestemd voor plaatsen in Nederlandsch-Indië, met inbegrip van die, gerigt aan militairen beneden den rang van officier, zijn aan gedwongen frankeering onderhevig, met dien verstande, dat indien de verzending via een vreemd postkantoor, b. v. Penang of Singapore, geschiedt, ook slechts het binnenlandsche port verschuldigd is. Voor verzending naar Nederland of andere landen in Europa gelegen gelden de volgende bepalingen: a. van brieven enz. bestemd voor Nederland of andere landen buiten NederlandschIndië, wordt bij verzending over Penang bij vooruitbetaling een port van f 0,60 voor elke 15 wigtjes geheven; b. van ongefrankeerde brieven over Penang ontvangen, wordt een port van f 0,80 geheven voor elke 15 wigtjes; c. ongefrankeerde zoomede aangeteekende brieven en drukwerken of monsters moeten echter uitsluitend via Padang in de geslotene brievenmalen van het postkantoor Weltevreden aan het spoorwegpostkantoor Rotterdam-Antwerpen worden verzonden. Bij de veldpostkantoren zijn steeds verkrijgbaar postzegels à 5, 10, 20 en 50 centen, terwijl al de porto 's van gefrankeerde brieven door aanhechting van postzegels moeten worden gekweten. Het nommer van den met 1e Januarij 1874 ingevoerd wordende vernietigingsstempel (nommerstempel) is voor de veldpostkantoren bij de 1e, 2e en 3e brigade respectievelijk 66, 67 en 68." |
|
Gratis Briefkaarten De (Europeese) soldaat verdiende destijds slechts 17 stuivers per week. Daarom waren aan alle veldpost kantoren gratis briefkaarten beschikbaar voor de militairen, volgens Gouvernementsbesluit van 27 september 1873. Deze briefkaarten konden voor de binnenlandse (Nederlands Indische) correspondentie worden gebruikt. De briefkaarten waren voor dit doeleinde voorzien van het SPECIMEN stempel. Het bijzondere aan het gebruik van deze briefkaarten in Atjeh was dat zij reeds op 1-1-1874 in gebruik werden genomen. De rest van Nederlands Indië moest tot 1-4-1874 wachten tot zij ook deze briefkaarten (Natuurlijk zonder stempel SPECIMEN) aan de loketten konden aanschaffen. Volgens Sleeuw is er begin 1874 een eerste zending van gratis briefkaarten in Atjeh aangekomen van ongeveer 25.000 stuks. Deze zijn te herkennen aan een licht violette kleur. De overige gratis briefkaarten zijn van een volgende zending en violet van kleur. Uiteraard waren naast de gratis briefkaarten ook “gewone” briefkaarten te koop in Atjeh. Waarschijnlijk stopt in het derde kwartaal van 1875 de gratis verstrekking. Uit berekeningen van R.A. Sleeuw volgt dat er ongeveer 125.000 gratis briefkaarten zijn verstrekt. De oudst bekende briefkaart is er een met een afstempeling van Veldpostkantoor No. 2 met als vertrekdatum 21-1-1874. De gratis briefkaarten zijn volgens Sleeuw gebruikt tot ver in het derde kwartaal van 1875. Als laatst bekende datum wordt door Verschuur 9-2-1879 gemeld.
Gratis Briefkaart met Specimenstempel |
|
Veldpostkantoor No. 1
Met dagtekening Rondstempel type Ra --- Veldpostkantoor No. 2
Met dagtekening Rondstempel type Ra
Van veldpostkantoor No. 2 is ook een interessante briefkaart opgenomen
--- Veldpostkantoor No. 3
Met dagtekening Rondstempel type Ra --- |
|
Veldpostkantoor No. 1 Op 21 april 1874 vertrekt de hoofdmacht van de expeditie weer terug naar Java. Er blijft een garnizoen van ongeveer 5.000 manschappen achter om het militair gezag te handhaven. De veldpostkantoren No.2 en No. 3 worden gesloten. Een commies der 2e klasse blijft achter als chef van het veldpostkantoor No. 1, dat vanaf dat moment als enige veldpostkantoor begon te functioneren. Het veldpostkantoor No. 1 bleef het puntstempel 66 gebruiken. Wel wordt op de dagtekening stempels de aanduiding No. 1, door slijtage of te hoog plaatsen van de datumcijfers, steeds vager. Vanaf ongeveer 1878 vervalt de aanduiding No. 1 op de dagtekeningstempels en spreken we alleen nog maar van Veldpostkantoor Atjeh. Voor het Veldpostkantoor No. 1 zouden er dus twee perioden kunnen worden onderscheiden:
G.D.E.J. Hotz meldt echter in zijn “Beknopt geschiedkundig overzicht van den Atjeh-oorlog” op bladzijde 9 dat één van de drie brigades, die bij de 2e expeditie tegen Atjeh zou worden ingezet, als strategische reserve te Padang werd achtergehouden. Er is hierdoor twijfel gerezen of het Veldpostkantoor No. 1 wel voor 21 april 1874, de datum waarop de expeditie hoofdmacht terugkeerde naar Java, heeft gefunctioneerd. Er zijn mij nog geen afstempelingen van voor 21 april 1874 van dit veldpostkantoor bekend. Er zijn mij ook geen briefkaarten met het Specimen stempel bekend met een dagtekening- en puntstempel van Padang. Wel schrijft Mr. P. Brooshooft in "De Atjeh-oorlog" (Van Ditmar, 1886) dat deze achtergehouden reserve voor een deel op 20 januari aankomt in Atjeh. Sleeuw gaat er in "De emissies 1870, 1883, en 1892 van Nederlandsch-Indië" vanuit dat het Veldpostkantoor No. 1 pas op 21 april 1874 is begonnen te functioneren. |
|
De typen puntstempels van het Veldpostkantoor (No. 1) Van het Veldpostkantoor (No. 1) zijn twee verschillende typen puntstempel bekend.
Afbeelding van stempeltype 1 en 2. (volgens Bulterman)
Zegel Nvph 9 met stempeltype 1 ---
Zegel Nvph 9 met stempeltype 2 --- Het bijzondere van deze typen is dat van het type 1 afdrukken op poststukken met een dagtekeningstempel tussen 1877 en 1879 bekend zijn, terwijl van het type 2 alleen afdrukken met een dagtekeningstempel tussen 1874 en 1881. – Zijn er poststukken met een eerdere datum van type 1 bekend? -. Met andere woorden: Zijn de beide typen ook gelijktijdig in gebruik geweest? Het puntstempel type 1 onderscheidt zich van type 2 door het aantal punten. Type 1 heeft 40 punten, terwijl type 2 er slechts 26 heeft. Daarnaast zijn de cijfers duidelijk anders.
Briefkaart Geuzendam type 2 met Puntstempel type 1 (Collectie Braaksma) Met dagtekening Rondstempel type Rb ---
Briefkaart Geuzendam type 2 met Puntstempel type 1 Met dagtekening Rondstempel type Rb ---
Briefkaart Geuzendam type 3 met Puntstempel type 1 (Collectie Koning) Met dagtekening Rondstempel type Rb ---
Briefkaart Geuzendam type 2 met Puntstempel type 1 Met dagtekening Rondstempel type Rb ---
Briefkaart Geuzendam type 1
Met dagtekening Rondstempel type Ra --- Een bijzonderheid wordt nog door Peter Storm van Leeuwen gemeld in De Postzak 170. Hij toont hierin een afbeelding van een briefkaart G1 afgestempeld op 22-9-1874 met puntstempel 67 van dan het opgeheven Veldpostkantoor No. 2. Zijn veronderstelling is dat het hierbij om een vergissing gaat en het stempel onjuist gebruikt is. |
|
De dagtekeningstempels van de Veldpostkantoren In eerste instantie werd een Rond Franco stempel (type B) als dagtekeningstempel gebruikt. Hiervan is mij één exemplaar op zegel bekend, deze bevindt zich in de collectie Bulterman. Toen vanaf 1-1-1874 het puntstempel als vernietigingsstempel werd ingevoerd, werd aan de veldpostkantoren van de drie brigades het Rondstempel (Type Ra) verstrekt. Op dit stempel werd met No.1 , 2 of 3 aangegeven welk veldpostkantoor het betrof. Nadat de veldpostkantoren No. 2 en 3 waren opgeheven, ging veldpostkantoor No. 1 als enige door. Na verloop van tijd werd het Rondstempel type Ra vervangen door Type Rb, dus zonder No. 1. Er zijn vermoedens dat het Type Rb langzamerhand door slijtage of door het verwijderen van het No. 1 is ontstaan. Het zou ook kunnen dat het type Rb is verstrekt. Het type Rb werd vervolgens omstreeks eind 1878, begin 1879 vervangen door het type Rc. Het type Rc is duidelijk te herkennen door het rozet op de plaats waar daarvoor het No. stond. Eind 1881 werd het type Rc vervangen door het Kleinrondstempel Atjeh, waarmee de vermelding “Veldpostkantoor” was komen te vervallen. Typen dagtekeningstempels |
|
Vroegst en laatst bekende datum Hieronder de mij bekende vroegste en laatst bekende datum van afstempeling van de veldpostkantoren:
|